Tekst 1

Afgelopen jaar hebben we bij 5 teams voor wijkzorg onderzoek gedaan. Participatief onderzoek heet dat. Gewoon meedraaien met de dagelijkse gang van zaken en daar wat van vinden. Elk team verschilde enorm van de ander. Het werk leek op elkaar maar dat was misschien wel het minst interessante. Interessant is dat wij in Nederland Wijkzorg hebben op zo’n grote schaal en dat er zoveel mensen in werken. En het is nu eenmaal zo, samenwerking tussen mensen gaat niet vanzelfsprekend. Dus dat aspect is veel interessanter. Het technische deel, hoe je oogdruppels geeft, hoe je een stoma schoonmaakt, hoe je steunkousen aantrekt en noem maar op kun je leren op een opleiding en is redelijk standaard. Maar samenwerken is een ander chapiter. Dus dat hebben we onderzocht.

Al gauw kwamen we tot een aantal patronen die zich steeds herhaalden en die moeite van het onderzoeken waard zijn. De interactie onderling. De interactie met de verzorgden die door iedereen client genoemd worden. De interactie met de leidinggevenden van het centrale kantoor, die ik in navolging van Marten Toonder de bovenbazen noem. De interactie met andere actoren zoals huisartsen, ziekenhuizen en apothekers.

Wat we met interactie bedoelen, vertellen zo dadelijk nadat we een belangrijk statement hebben gemaakt. Want laat het gezegd zijn, er zijn voornamelijk vooroordelen over de zorg in de wijk bij de andere burgers en die zijn niet allemaal even flatteus. “Billenwassers,” hoor ik vaak. En over het algemeen wordt er op wijkverzorgenden neergekeken met dat soort opmerkingen. Dat wil ik graag rechtzetten in deze studie.  

Mensen die in de wijk verplegen en verzorgen zijn heel gewone mensen, net zoals de mensen waarvoor ze die zorg leveren en met wie ze samenwerken. Ze maken onderling wel verschil door zichzelf in 5 niveaus op te delen. Voor mij blijven het gewone mensen en vind ik de opdeling alleen maar hinderlijk. Zo is er vaak een duidelijk hiërarchie waar te nemen tussen de niveau 5 mensen en de niveau 2 mensen. Niveau 5 heeft zich laten scholen op het hoogste niveau en niveau 2 heeft dat niet. Voor de interactie maakt het niet zo uit. Wel voor de sociale verhoudingen. Een bekende uitspraak van de Amerikaanse socioloog Thomas is: When people define situations as real, they are real in their consequences. Als mensen denken dat iets bestaat, heeft dat gevolgen voor hun gedrag. Of het nu bestaat of niet. Zo hoorde ik een niveau 5 tegen een niveau 2 zeggen dat ze ergens anders haar werk moest gaan doen. Zo voelden niveau 5 mensen zich verantwoordelijk voor wat er gebeurde in het team en zo menen technocratische bestuurders dat niveau 5 mensen een cursus leiderschap moeten hebben. En ga zo maar door. Voor ons zijn het allemaal mensen. 

Er zijn aardige en onaardige verzorgenden, er zijn hardwerkende en luie, ze hebben kleine en grote mensenruzies met elkaar, ze vinden elkaar aardig of niet, ze hebben macht over elkaar of helemaal niet, ze vormen een blok tegen interventies van buiten hun groep, ze laten elkaar vallen, ze verlaten de groep, ze komen er bij, ze vormen een blok tegen vermeende bedreigingen, ze vallen uit elkaar als het vege lijf gered moet worden, ze hebben vijandbeelden en framen verzorgden, ze hebben favoriete cliënten en minder favoriete cliënten, ze maken plezier samen en hebben feestjes en uitjes, ze doen hun werk dag in dag uit en door weer en wind. Ze vinden het belangrijk dat het technisch gezien goed loopt. Ze komen allemaal uit bepaalde lagen van de samenleving die hun beeld van de werkelijkheid sterk bepaalt. Ze werken voor hun gezin, ze zijn vaak vrouw wat het onterecht een typisch vrouwenberoep maakt. Ze jokken en spreken de waarheid, ze zijn open over alles en laten niks zien. Ze kunnen huilend en stampvoetend weglopen als ze hun zin niet krijgen en ze kunnen gierend van het lachen een anekdote vertellen, ze kunnen blind zijn voor hun eigen fouten en ze kunnen ruiterlijk toegeven dat ze iets niet kunnen.

Gewone mensen dus.

Hoe zeg je iets over gewone mensen? Is dat al niet genoeg, zo’n statement en kunnen we er dan mee stoppen? Mensen die dit werk doen zijn heel gewone mensen en het zou zeer passend zijn dat ze ook zo behandeld werden. Natuurlijk kom je dan al snel met het feit dat het ene gewone het ander niet is. Mijn gewoon is niet jouw gewoon. Natuurlijk krijg je ook te maken met belangen. De directie wil andere gewone dingen dan de verzorgenden willen bijvoorbeeld en de cliënten weer andere gewone dingen. En hoe komt het dan dat de 5 studies door sommige mensen als bedreigend worden ervaren of zoals iemand zei “niet gepast?” Of, “daar zullen ze wel niet blij mee zijn?” Maar ook, “dat heb ik nooit zo gezien, het valt me niet meer op, maar je hebt wel gelijk.” Of dat mensen moeten huilen als ze lezen over de terminale cliënten? Het is dan ook een statement dat elke poging om ze een Florence Nightingale te maken net zo de kop in smoort als dat het slechts billenwassers zijn. Het is een manier om in hun huid te kruipen en met empathie zich in hun te kunnen verplaatsen. De Franse filosoof Jean Paul Sartre schreef een biografie over de schrijver van Madam Bovary, Gustav Flaubert een biografie van 3000 pagina’s. Dat zouden wij inmiddels ook kunnen. Zijn methode om dit te kunnen doen noemde hij empathie.

Dat is wat van de buitenstaander verwacht wordt, empathie voor de mensen die het werk van wijkverzorging doen. Dat is wat we ook verwachten van de verpleegkundigen zelf. Empathie voor de ander. Dat gaat niet over goed en fout, maar om je te kunnen verplaatsen in de ander, elk ander. Hoe is het om dag in dag uit, jaar in jaar uit op je fietst te stappen en in de avond of de ochtend bij mensen thuis je werk te doen. Sommigen al 30 jaar lang? Hoe is het om geconfronteerd te worden met het menselijk verval? De meeste verzorgden zijn ouderen, die zijn eerder aan het einde van een rit dan aan het begin ervan. Er gaan ook veel mensen die verzorgd worden dood. Wat doet het je als je daar misschien wel wekelijks mee te maken hebt? Is dat niet heel anders dan de meeste mensen die het hooguit af en toe in de familie meemaken?

De vraag blijft, wat zou je dan willen onderzoeken? Een vraag die zich pas na een jaar liet beantwoorden, nadat er zoveel water door de Rijn gestroomd was dat die rivier niet meer de oude is. Het is oneindig wat je kunt onderzoeken. Wij willen ons beperken tot twee onderwerpen.

Ten eerste, wat is wijkzorg? Je kunt dat, nogmaals, zien als het uitvoeren van een paar technische handeling die je kunt leren op school. Dan ben je in 5 minuten klaar. Maar ga je het zien als een groep mensen die samenwerken dan ben je nog wel even bezig. Om hier handen en voeten aan te geven, maken we gebruik van de theorieën van de Franse Filosoof Michel Foucault. In de laatste 7 jaar van zijn leven, ontwikkelde hij een hele theorie over zorg voor jezelf en zorg voor de ander, over de macht die door de samenleving stroomt en in elke interactie schuil gaat en hoe wij heersen over elkaar en de baas zijn van allen en allen de baas zijn over ons. Het laat zien dat zorg in onze samenleving niet zozeer iets te maken heeft met liefde voor een ander maar meer met disciplinering van elkaar. Zoals ik in een van de studies opmerkte, de disciplinering gaat door tot een seconde voor je dood. We werken dit helemaal uit.

Ten tweede, waar is de ethiek gebleven? En ethiek is al lang niet meer een regeltje waaraan je moet voldoen, maar is een proces waarin iedereen open in gesprek blijft over hoe te handelen. Als we op een bijeenkomst horen dat elke cliënt een hoog-laag bed dient te hebben omdat ze zo we het beste voor hem kunnen zorgen, dan schrikken we. Waar is die cliënt gebleven? Mag die er ook nog wat van vinden? De neiging om alles vast te zetten en de normaliseren maakt dat iedereen zichzelf geweld aan moet doen en niet meer in staat is om vanuit gevoel te reageren. We gebruiken hiervoor de theorieën van Zygmunt Bauman. Hij vroeg zich af of we nog wel een moraal konden hebben in een consumentenmaatschappij.

Wat hij daar mee bedoelde en hoe belangrijk het is om daarover na te blijven denken werken we uit. Alleen al het woord client. De mensen die verzorgd worden zijn geen cliënten. Het woord cliënt hoort thuis in de consumentenmaatschappij. En ik zag het steeds weer voor mijn ogen gebeuren, die client is al lang niet meer een zelfstandig mens, maar iemand die zich moet aanpassen aan de producten die worden geleverd. Computerproducten. Helaas moeten de mensen wel gaan lijken op die computers, anders werkt het niet. Toen we pas een grote som geld wilden overmaken, sprak de bediende van de ING-bank de vreemde woorden, ‘dat moet dan in 7 keer’. Toen we zeiden dat dat geen optie was, zei hij ‘daar heeft u voor getekend toen u onze voorwaarden ondertekende, ik kan helaas niets voor u doen.’ Andere bank?

Dat is de moderne consumentenmaatschappij. Hoe vaak wordt dat tegen verzorgden gezegd? Bij een terminaal zieke patiënt, die tien dagen daarna dood was, werd een hoog laag bed geplaatst, in het geval dat hij niet meer van bed af zou kunnen. Daar stond het ding, een enorm gevaarte in zijn woonkamer. Zijn meubels waren kriskras door de kamer geduwd om plaats te maken voor het bed. Een onaangename chaos. Daar zat ie dan in zijn gemolesteerde woonkamer. Toen ik voorstelde om de boel een beetje aan kant te maken, gebaarde de verzorgende naar me. Dat mag niet, dat staat in de voorwaarden voor zorg.

Beide vragen, wat is wijkzorg en waar is de ethiek gebleven, werken we in dit boek uit. De 5 boeken met verhalen zullen gebruikt worden, net zoals de meer dan 100 uur opnames die we hebben. Het is slim om de boeken eerst te lezen en jezelf een oordeel te vormen. Wat vind jij er zelf van?

One Reply to “Tekst 1”

  1. Oja Martijn naast de term “billenwassers” heb ik ook de term “kousentrekkers” gehoord voor persoonlijk verzorgende.
    Het wordt vast weer een interessant onderzoek, ik ga het gefaseerd of beter gezegd per stuk tot me nemen. komend jaar.
    Hou me op de hoogte als er een nieuw stuk is of kan dat niet?
    We spreken mekaar binnenkort!
    Groet, Peter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *